Praatje bij de slager is ook werk
Margot Scholte
Maaike Kluft
Vanuit het werk voor het team beroepsontwikkeling van Movisie formuleren ze een antwoord op deze vraag Margot is daarnaast lector maatschappelijk werk bij de Hogeschool Inholland. Over 'spreekkamer maatschappelijk werkers', presentie in de wijk en warme doorverwijzing.
Waarom is vraagverlegenheid juist nu een thema voor veel welzijnsorganisaties en instellingen voor maatschappelijk werk?
Scholte: “Met de invoering van de Wmo is er een paradigma verschuiving op gang gekomen, waarbij meer nadruk op kwetsbare mensen komt te liggen, mensen die in isolement verkeren, geen werk hebben en vaak meerdere problemen tegelijkertijd ervaren. Bij een deel van deze groep is vraagverlegenheid een thema. Zij vragen niet uit zichzelf hulp en outreachend werken (‘’eropaf’”) is daarom steeds belangrijker geworden. Om deze vraagverlegenheid van klanten “te overwinnen” worden bepaalde competenties van sociale professionals sterk benadrukt.
Welke competenties heb je nodig als professional om goed met vraagverlegenheid om te kunnen gaan?
Makkelijk contact kunnen maken is een heel belangrijke competentie volgens Scholte en Kluft. Oprecht geïnteresseerd zijn en niet oordelend kunnen luisteren zijn goede tweede.
Een andere competentie is het vermogen om de vraag in zijn context bekijken en hierbij een passend antwoord te vinden. Scholte: “Een vrouw komt bijvoorbeeld bij de huisarts met depressieve klachten. Dan kun je haar naar een cursus ‘in de put, uit de put’ sturen, maar misschien heeft ze meer baat bij het verlichten van haar dagelijkse omstandigheden, zoals ondersteuning bij administratie of de opvoeding”.
Daarnaast is het belangrijk te kijken waarvoor iemand gemotiveerd is. Wat willen cliënten graag bereiken? Die motivatie kun je vasthouden door kleine succesjes te boeken, waardoor de cliënt vertrouwen in de professional en vooral in zichzelf krijgt. In het verleden was het meer zo, dat als een cliënt niet gemotiveerd was, de hulpverlening ophield. Nu staan het motiveren en activeren veel centraler. Scholte: “Vaak ziet de cliënt geen perspectief meer, de problemen worden ervaren als één grote kluwen. Professionals kunnen hoop bieden.”
Ook het onderzoeken waar de eigen kracht van cliënten ligt is essentieel. Kluft: “Dit kan bijvoorbeeld door te vragen naar wat wel lukt, waar iemand goed in is, waar men trots op is of plezier in heeft. Die krachten kunnen dan ingezet worden om verbetering in een situatie te brengen. “
Goed signaleren is ook een waardevolle competentie. Dit betekent opletten wat mensen niet vertellen, doorvragen en ook over levensgebieden praten die ogenschijnlijk niet van belang zijn. Daardoor kom je soms verborgen vragen op het spoor die de cliënt eerder niet durfde of kon stellen, waardoor je gerichter kunt interveniëren.
Wanneer blijkt dat een belangrijke hulpvraag buiten de expertise van de professional ligt, is goed kunnen doorverwijzen en daarbij een warme doorverwijzing realiseren van groot belang. Dit betekent dat de professional de cliënt niet alleen een adres van een hulpverlener geeft, maar die hulpverlener belt en desnoods meegaat naar de afspraak. Ook is het essentieel om een vinger aan de pols houden, nadat iemand is doorverwezen. Scholte: “Hoe kwetsbaarder de cliënt, hoe belangrijker een warme doorverwijzing en continuering van het contact zijn.” Kluft benadrukt het duidelijk aangeven van grenzen, open zijn over wat je wel en niet kan bieden en samen zoeken naar alternatieven.
Hoe makkelijk is het voor sociale professionals om die omslag te maken?
In zekere zin is het terug naar de kerncompetenties uit de jaren ‘60. Opmerkelijk is dat een deel van de oudere welzijnswerkers zich geherwaardeerd voelen, omdat zij goed thuis zijn in deze manier van werken. Aan de andere kant is de benadering wel anders. Het is nu niet zo normerend, als het destijds was en de cliënt heeft dus meer keuzevrijheid over de gewenste hulp.
Scholte: “Sommige sociale professionals hebben deze competenties van nature, anderen kunnen erin worden getraind en sommigen zullen het misschien nooit leren.”
Besteden welzijnsorganisaties en instellingen voor maatschappelijk werk voldoende aandacht aan deze competenties in werving, selectie en deskundigheidsbevordering?
Steeds meer organisaties zijn ermee bezig. Ze zoeken andere manieren van werken en trekken veel vaker de wijk in om vragen te achterhalen en zodoende vroeger, lichter en gerichter in te grijpen. Het kan zijn dat ze afgaan op signalen van derden, omdat er klachten zijn vanwege overlast of omdat mensen zich zorgen maken om iemand. Welzijnswerkers zorgen er steeds meer voor een vertrouwd gezicht in de wijk te zijn en zich veel te laten zien. Op die manier wordt het voor kwetsbare burgers gemakkelijker om een vraag te stellen of voor professionals om een signaal op te pikken.
Welzijnsorganisaties moeten medewerkers de ruimte geven om de wijk in te gaan, relaties met wijkbewoners op te bouwen. Kluft: “Ze moeten erkennen dat het praatje met de slager ook werk is.”
Spelen de opleidingen in op deze nieuwe competenties?
Volgens Scholte vinden veel opleidingen het moeilijk om het curriculum te vernieuwen als de praktijk nog niet uitgekristalliseerd is. Opleidingen moeten ook kijken naar welk soort studenten ze aantrekken. Voor outreachend werken en het activeren van cliënten heb je geen ‘’spreekkamer maatschappelijk werkers‘’ nodig.
Welk opleidingsniveau heb je nodig voor de ‘’nieuwe sociale professional’’?
Scholte: “Het ligt aan de taken welk opleidingsniveau nodig is. MBO-ers kunnen een goede rol in de toeleiding en signalering spelen. Zo is er in Haarlem een project met ‘’wijkcontactvrouwen’’ waar MBO’ers en vrijwilligers contact onderhouden en ontmoeting organiseren voor allochtone vrouwen. Als ze op complexere problematiek stuiten, verwijzen ze door naar een HBO-opgeleide hulpverlener.”
Wat zijn valkuilen voor professionals in het omgaan met vraagverlegenheid?
Helemaal niets doen is een valkuil. Kluft: “MOVISIE heeft een handvat ontwikkeld, Siba: signaleren, bespreken en aanpakken. Als je er als professional niet meer weet hoe je verder moet met een cliënt of situatie, bespreek het dan met collega’s.” Een andere valkuil is dat deze aanpak een hausse aan problemen en vragen van cliënten kan oproepen. Vragen en problemen die eerst onzichtbaar bleven, komen door ‘er-op-af’ te gaan naar de oppervlakte. Zeker als zo’n outreachend project een beetje begint te lopen kan dit gebeuren – deels zou je dit als ‘achterstallig onderhoud’ kunnen beschouwen. Het risico is hiervan is dat medewerkers hierdoor overvraagd kunnen worden. Organisaties moeten zich dit realiseren en enerzijds hierover in gesprek met gemeenten en samenwerkingspartners, terwijl ze anderzijds hun medewerkers moeten leren hiermee om te gaan.




