Meningen uit de provincie
Erwin Hagen, directeur MeanderOmnium in Zeist
‘Wij herkennen de soorten vraagverlegenheid (verlegenheid om hulp te vragen, te accepteren of te bieden). In ons Steunpunt Mantelzorg worden wij daar bijvoorbeeld dagelijks mee geconfronteerd. Welzijnsorganisaties kunnen een belangrijke rol spelen in het verminderen van vraagverlegenheid. Het is onze taak om mensen te helpen met hun vraag (of de vraag achter de vraag; wat hebben zij echt nodig om te kunnen deelnemen aan de samenleving). We doen dat door mee te kijken en mee te denken over wat zij in hun eigen omgeving kunnen regelen aan ondersteuning, waardoor professionele zorg niet of minder nodig is. Daarnaast is het onze taak om de collectieve vraag te signaleren en daar passend aanbod op te arrangeren. Wij doen dat door persoonlijke netwerken in de buurt te faciliteren, met initiatieven als “Wijk-voor-de-wijk” en “Tijd voor elkaar” in Zeist. Maar juist ook door ontmoeting te stimuleren. Want uit de praktijk blijkt dat als men elkaar beter kent of er eenmaal een keer hulp gevraagd is (en de ervaring was goed), het makkelijker is om een volgende keer weer hulp te vragen. Daarvoor is het nodig om welzijnswerkers te hebben met de juiste competenties: mensen die in staat zijn om op mensen af te stappen, een laagdrempelig gesprek te kunnen voeren en te kunnen voelen en horen wat er werkelijk speelt. Daarmee leveren wij toegevoegde waarde aan de samenleving.’
Jos Berkers, directeur Portes in Utrecht
‘Mensen zetten zich vrijwillig in vanwege persoonlijke redenen; vanuit interesse, een hobby, overtuiging of een band met iemand. Mensen maken hun eigen keuzes en de diversiteit daarin is heel erg groot. Het is daarom nog maar de vraag of, bijvoorbeeld, de vrijwilliger die wilgen knot voor de landschapsstichting, ook informele zorg aan een buurvrouw wil leveren. Dit zijn taken waarbij de ene persoon afhankelijk is van de ander. Dit is wel wat politiek en maatschappelijk steeds meer wordt verwacht: het kunnen leunen op burgerkracht. Belangrijk is in ieder geval dat mensen, als ze vrijwillige inzet leveren, voorwaarden kunnen stellen. Bij een intensief project als HomeStart, waarbij we opvoedingsondersteuning bieden, zijn dat bijvoorbeeld: training en begeleiding, de inzet moet kunnen eindigen wanneer die niet meer past in het eigen leven van de vrijwilliger en het bewaren van afstand.
Het is wat ons betreft verder duidelijk dat mensen in een kwetsbare positie zonder een sociaal netwerk in die positie zullen blijven. Bijvoorbeeld: een moeder van een gehandicapt kind wil wel eens met een vriendin de stad in. Dat kan zij 1, 2 en ook nog wel 3 keer vragen aan een buurvrouw. Daarna echter wordt het moeilijk, omdat er geen wisselwerking is tussen vragen en bieden. We moeten dit soort vragen daarom uit de individuele sfeer halen en vraag en aanbod bij elkaar brengen. Welzijn heeft dan ook een rol wanneer er geen sprake is van zorgvraag, maar die zorgvraag er zeker komt wanneer je niet iets doet. Kortom: in het verknopen van formele en informele netwerken.’




