Wat leert preventie van repressie?
‘Wat ze bijna allemaal gemeen hebben, is dat ze serieus seksueel grensoverschrijdend gedrag laten zien. Er zitten hier meiden van 13, 14 jaar die op seksueel gebied al heel veel dingen hebben gedaan, maar totaal geen weet hebben van hun lichaam.’ Aan het woord is Dineke de Beer, verpleegkundige van de medische dienst van gesloten jeugdzorginstelling De Lindenhorst. ‘Ze hebben allemaal seksuele voorlichting gehad, dat is het probleem niet. Vaak kunnen ze een heel rijtje soa’s uit hun hoofd opnoemen, gevolgd door een rijtje voorbehoedsmiddelen. Maar wat mist is vaardigheden, die kennis ook kunnen toepassen. De meiden kennen hun grens vaak niet.’
Ongewenste bezoekers
Er zijn op de Lindenhorst zes groepen, waarvan er twee bestaan uit meiden met een licht verstandelijke beperking. En hoewel alle meiden roepen dat ze er niet willen zitten, creëert de instelling voor velen een veilige plek. De hekken om het terrein zijn er niet alleen om de meiden binnen te houden, maar ook om ongewenste bezoekers buiten te houden. ‘Veel meiden hier hebben te maken of te maken gehad met een fout vriendje, een oudere man die hen inpalmde of zelfs eerwraak. En dat houdt niet op als de meiden hier zitten. Het komt regelmatig voor dat ze hier net buiten de instelling alweer lastig gevallen worden.’
‘Als ik kijk naar wat de meiden hier gemist hebben in het voorliggende veld is het vaak voorlichting over allerhande dingen, maar nog belangrijker: de vaardigheden om die toe te passen. Veel van deze meiden weten best wat een soa is en dat ongewenste intimiteiten niet mogen, maar zouden vooral baat hebben gehad bij voorbeelden, beelden en het oefenen van situaties. Deze meiden hebben spelvormen nodig, waarin ze leren de kennis ook toe te passen.’
Kennisdeling
Ook voor professionals ligt een belangrijk taak. Niet alleen zouden zij nog beter moeten leren signaleren, maar vooral ook weten wat dan te doen. En wat doe je bijvoorbeeld als de ouders uit elkaar gaan? ‘De meerderheid van de meiden die hier zit, komt uit een gebroken gezin. Misschien moet er wel meer oog komen voor meiden in zo’n situatie. Niet alleen is het een psychische belasting, meiden krijgen dan toch vaak meer ruimte, spelen ouders tegen elkaar uit en verdwijnen vaker van de radar.’ Jongerenwerkers raadt zij aan een veilige sfeer te creëren, waarin meiden makkelijk over dingen praten die ze anders voor zich houden.
Tot slot geeft Dineke aan dat meer kennisdeling over meiden en meidenproblematiek nuttig en noodzakelijk is. ‘Ik zou het hartstikke goed vinden als er een soort provinciaal netwerk ontstaat rondom meiden, waarin professionals uit de preventieve en repressieve hoek kennis en ervaringen uitwisselen.’




