Praktijk
In 2011 deed Alleato onder gemeenteambtenaren in de provincie Utrecht een onderzoek naar de kijk op en de ervaringen met informele bewonersinitiatieven. Bijna alle gemeenten uit het onderzoek beschikten over een budget om de initiatieven te ondersteunen. Men vindt, desgevraagd, dat de gemeente de verantwoordelijkheid heeft om bewonersinitiatieven te faciliteren en om de kwaliteit van bewonersinitiatieven te beoordelen.
De ervaring van ambtenaren is dat het de gemeenten nog wel eens ontbreekt aan een centrale plek in de organisatie en een verantwoordelijk ambtenaar voor de informele burgerinitiatieven. Men gaf daarbij aan dat wanneer er wel ondersteuning geregeld was, het in de praktijk moeite kostte om die af te dwingen bij vakambtenaren. Verder kwam als aandachtspunt de communicatie met burgers naar voren: gemeenten zouden beter duidelijk moeten maken wat wel en niet kan, zodat de verwachtingen van de burger helder zijn.
De gemeenten noemden verschillende voorbeelden van initiatieven, die met het wijkbudget gerealiseerd werden. Op het gebied van sociale leefbaarheid werd regelmatig een buurt- of wijkfeest genoemd. Als bijdragen aan de fysieke leefbaarheid realiseerde men speeltoestellen, het plaatsen van groenversieringen en verkeersremmende maatregelen. Gemeenten geven in de enquête aan dat bewoners enthousiast zijn over resultaten en over het feit dat ze er zelf aan hebben bijgedragen. Huns inziens draagt het wijkbudget daarom bij aan het gevoel van leefbaarheid, welzijn en veiligheid van bewoners.
In een aansluitende enquête onderzocht Alleato het gebruik van wijkbudgetten, als middel voor bewonersinitiatieven. De meeste gemeenten gaven aan te werken met een wijkbudget, waar bewoners direct een beroep op kunnen doen. Het is in alle gevallen bestemd voor het verbeteren van de sociale en/of fysieke leefbaarheid. Gemeenten geven aan zowel initiatieven van burgers aan te willen jagen, als te zorgen dat bepaalde wensen op korte termijn kunnen worden gerealiseerd. Een derde van de gemeenten beslist zelf over het honoreren van aanvragen van het wijkbudget. In enkele gevallen beslist het wijkplatform. Dit geldt ook voor het beheer van de financiën.
Ook de UvA deed, in 2006, onderzoek naar informele burgerparticipatie. Zij definieerden het begrip als volgt: ‘Onder burgerinitiatieven verstaan we initiatieven met minder dan 20 actieve leden of vrijwilligers, met (ook) een sociale doelstelling, geen winstoogmerk, die los van professionals en bestuur of in ieder geval op afstand van hen tot stand zijn gekomen.’ En hoewel de definitie de afstand noemt tot instituties, bleek uit het onderzoek dat burgerinitiatieven wel varen bij ondersteuning van een institutie als de gemeenten, zorg- of welzijnsinstellingen of andere organisaties. Het SCP volgde in 2009 de definitie van de UvA en onderzocht de kenmerken van 400 burgerinitiatieven. Ook hieruit bleek dat vaak dat de lokale overheid op enig moment een rol had gespeeld bij het ontstaan van een initiatief. In beide onderzoeken noemt men dit in tegenspraak met de verwachting van de overheid dat burgers dingen zelf moeten doen: ‘eigen verantwoordelijkheid nemen, niet aan de hand van de overheid lopen. De overheid moet ook niet in de weg lopen, want dan maakt ze dat initiatief onmogelijk.’ De primaire doelstellingen van de onderzochte initiatieven waren overwegend gericht op leefbaarheid (onderhoud van de buurt, veiligheid) en solidariteit (zorg voor zwakkere groepen in de Nederlandse samenleving, veelal in de buurt). De burgerinitiatieven werden gedragen door autochtone, hoger opgeleide werkenden en ouderen.
Kennis Dossiers | burgerparticipatie in gemeenten





