Burgerparticipatie in gemeenten
De rol en plaats van de overheid is door allerlei ontwikkelingen aan verandering onderhevig. Al jaren wordt de overheid geconfronteerd met een afnemend vertrouwen van de kant van de burger. We zien dat bijvoorbeeld terug in een afnemende belangstelling voor landelijke of lokale verkiezingen of in toenemende steun voor populistische of antioverheid politieke partijen. De overheid tracht het tij te keren via het betrekken van burgers. Het blijkt echter telkens weer moeilijk te zijn om brede groepen burgers in beweging te brengen en de kloof zo te dichten.
Burgers participeren op diverse manieren om invloed uit te oefenen op de inrichting van de samenleving. We onderscheiden twee soorten participatie: verticale en horizontale participatie. Onder verticale participatie verstaan we alle formele vormen van burgerparticipatie waarbij de overheid de burger uitnodigt deel te nemen aan de ontwikkeling en/of uitvoering van overheidsbeleid of bij de beoordeling van beleidsvoorstellen. Bij verticale participatie stelt de overheid vast tot welke mate de participatie reikt, die gaat van informeren tot meebesluiten. Bijvoorbeeld via deelname aan nationale en lokale verkiezingen waarbij de burger haar politieke voorkeur kan uitspreken en zo indirect invloed kan uitoefenen op de samenstelling van het politiek bestuur. Een andere bekende vorm is de wettelijk geregelde inspraakprocedures waarbij de overheid de burger uitnodigt zich uit te spreken over beleidsvraagstukken of – voornemens.
Bij horizontale participatie is het de burger zelf die het initiatief neemt en daarbij zijn partners kiest om een bepaald doel na te streven. Er is sprake van een maatschappelijk trend waarbij (groepen) burgers meer en meer het eigen initiatief nemen om gezamenlijk richting te geven aan de kwaliteit van wonen en leven. Hier zijn vele en gevarieerde voorbeelden van te noemen, zoals bewoners die zich op buurt- of wijkniveau organiseren om de leefbaarheid en veiligheid te verbeteren. Het gevolg is een beweging van formeel naar informeel, van instituut naar zelforganisatie, van systeem naar belevingswereld, van individu naar netwerk en van eigen belang naar gezamenlijk belang.
Daarnaast kunnen we constateren dat de overheid zich meer en meer bewust is van het feit dat zij alleen niet (meer) in staat is een antwoord te formuleren op grote maatschappelijke vraagstukken. Zij zal daarbij – als gelijkwaardige partner – de samenwerking moeten zoeken met andere partijen, waaronder de burgers. De huidige financiële crisis versterkt en versnelt dat proces. De overheid werkt steeds meer als een van de partners in een keten van organisaties bij de oplossing van deze vraagstukken, veelal wel in haar rol als regisseur. De overheid heeft zelf ook bewust het beleid op vele fronten ingezet om de burger aan te spreken op haar eigen verantwoordelijkheid en eigen initiatief. Dit alles gebeurt in het licht van de vormgeving van de participatiestaat, ingezet met de doorontwikkeling van de Wet maatschappelijk ondersteuning (Wmo). Deze ontwikkeling stelt de burger centraal: hier past enerzijds het vormgeven van integraal beleid rond om die burger bij en anderzijds het bieden van ruimte aan de eigen regie en het eigen initiatief. Horizontale participatie is dan ook minstens zo belangrijk als verticale participatie.
Kennis Dossiers | burgerparticipatie in gemeenten





